| A |
|
| aardbeving |
Een
trilling van de aarde op de plek waar aardplaten langs elkaar schuiven. |
| aarde |
(1)
Wereld, (2) grond, (3) bodem. |
| aardexpres |
Wonderbaarlijk
voertuig dat in staat is dwars door de aarde te reizen. |
| aardgas |
Gas
ontstaan uit fossiele resten van planten en dieren die miljoenen jaren
geleden op aarde leefden, wordt nu gebruikt als brandstof |
| aardkern |
Het
binnenste van de aarde. Deze zit zo'n 6378 kilometer onder het aardoppervlak.
De binnenkern is een soort harde bal van 6000°C, de buitenkern bestaat
uit vloeibaar gesteente en is 5500°C. |
| aardkorst |
De
oppervlakte van de aardbol waarop wij wonen is de aardkorst. Onder land
is de aardkorst dik (0-50 km), onder zee wat dunner (0-10 km) |
| aardlaag |
Laag
van de aardkorst |
| aardmantel |
De
laag direct onder de aardkorst. De mantel is erg dik, hij begint 40 km
onder het aardoppervlak en gaat door tot een diepte van 2700 km. Daaronder
begint de aardkern. |
| aardolie |
Delfstof
die ontstaan is uit fossiele planktondiertjes. Toen deze diertjes in zee
dood gingen, zakten ze naar de bodem. Ze verteerden niet goed, en er bleef
een laag slik over. De laag kwam onder hoge druk te staan en de temperatuur
steeg tot kookpunt. Uit deze laag is aardolie ontstaan. Van aardolie worden
onder andere benzine, petroleum, plastic gemaakt. |
| aardplaat |
Stuk
van de aardkorst die als het ware op de mantel drijft. De aardplaten schuiven
ten op zichte van elkaar. Op sommige plekken schuiven de platen onder elkaar.
Op andere plekken botsen de platen tegen elkaar en ontstaat er een gebergte.
Het bewegen van de aardplaten heet plaattektoniek. |
| affakkelen |
Het
verbranden van gas bij een fabriek of bij een boorput. Als er per ongeluk
veel gas ontsnapt, brandt dit direkt op. De fakkel is zo een soort veiligheidsklep.
Het gas kan dan niet ontploffen. |
| ammoniet |
Soort
inktvis die in een schelp leefde. De schelp was gedraaid als een slakkenhuis.
Ammonieten leefden in de zeeën vóór het Carboon. De
schelpen konden enkele meters groot zijn. |
| anorthosiet |
Soort
stollingsgesteente, graniet |
| antraciet |
Een
zeer hard soort steenkool met 92% koolstof. |
| archeoloog |
Iemand
die bestudeert hoe mensen vroeger leefden, door te kijken naar de resten
van gebouwen, voorwerpen en andere dingen die de mensen van toen hebben
achtergelaten |
| *atmosfeer |
De
gaslaag om de aarde heen |
| B |
|
| baggeren |
Modder
scheppen van de bodem van een rivier, meer of zee. |
| barnsteen |
Steen
ontstaan uit hars |
| basalt |
Harde
steensoort die ontstaan is door het smelten van de aardmantel. Basalt is
een stollingsgesteente en is heel donker van kleur. Het is één
van de meest voorkomende gesteenten in de aardkorst. |
| bekken |
Een
verlaging in het aardoppervlak, waarin een oceaan ligt. |
| bergrug |
Een
lange, smalle verhoging met steile zijkanten. |
| biogas |
Gas
dat ontstaat als dieren en planten rotten. |
| bodem |
De
bovenste 1,5 meter van de grond die bestaat uit mineralen, dieren en planten.
Een bodem is meestal opgebouwd uit meerdere lagen. Dat is goed te zien
in een bodemprofiel. |
| bodemdaling |
Het
zakken van de bodem ten opzichte van het zeeniveau. De oorzaken hiervan
kunnen zijn: (1) verzakken van de bodem langs een breuk in de aardkorst,
(2) inklinken van de bodem, of (3) stijgen van het zeeniveau |
| bodemgesteldheid |
Toestand
van de bodem: verdeling van hoog en laag, grondsoorten enz. |
| bodemkaart |
Kaart
waarop verschillende soorten bodems te zien zijn, bijvoorbeeld zand, klei,
veen, rots. |
| bodemkunde |
Studie
van de grondsoorten |
| bodemprofiel |
Dwarsdoorsnede
van de bodem. Een bodemprofiel bevat vaak verschillende lagen. Bovenaan
het bodemprofiel is de toplaag te zien, die bijvoorbeeld bestaat uit humus.
In het midden zie je dat de toplaag uitspoelt, bijvoorbeeld het onderliggende
zand kleurt. De onderste laag van het bodemprofiel bestaat uit het moedergesteente.
De lagen verschillen van elkaar in mineralen, planten en dieren. |
| bodemsanering |
Schoonmaken
van vervuilde bodem |
| bodemschat |
Uit
de grond gegraven stof. Bodemschatten zijn bijvoorbeeld olie, steenkool,
zout en diamant. |
| boorkop |
Het
uiteinde van de boorstang. Met de boorkop wordt een gat in de bodem geboord
om olie of gas te winnen. |
| boormethoden |
Verschillende
manieren van boren |
| boren |
Draaiende
een gat maken in de bodem |
| bouwput |
Tijdelijke
put voor ondergrondse werkzaamheden |
| brachiopoden |
Groep
dieren met een boven- en onderschelp, levend op een steel. Ze worden ook
wel 'armpotigen' genoemd |
| breuk |
Een
barst in het aardoppervlak, ontstaan tijdens een aardbeving |
| bron |
Plaats
waar spontaan water uit de bodem loopt. |
| bronstijd |
De
tijd (2100 tot 600 voor Chr.) waarin voor het eerst werd ontdekt, dat koper
gebruikt kon worden voor het maken van gereedschappen en andere voorwerpen.
In ons land begon de bronstijd ongeveer 3500 jaar geleden. |
| bruinkool |
Brandbare
delfstof die in Nederland niet gewonnen wordt. Bruinkool wordt wel in Duitsland
uit de grond gehaald. Er kunnen kachels op gestookt worden.Ook elektriciteitscentrales
gebruiken bruinkool om elektriciteit te maken. Bruinkool is een jonger
gesteente dan steenkool. Het is gevormd in het Tertiair, en steenkool is
gevormd in het Carboon. Uit bruinkool kan steenkool ontstaan, maar dan
moet je wel miljoenen jaren wachten. |
| C |
|
| canyon |
Een
diepe smalle kloof, vaak gevormd doordat een rivier het gesteente heeft
uitgeslepen |
| Cambrium |
Het
tijdperk 500 miljoen jaar geleden. |
| Carboon |
Het
tijdperk 240 miljoen jaar geleden. Het was toen erg warm, en Nederland
was bedekt met bossen en moerassen vol reuzenvarens en wolfsklauwen. Er
kropen en vlogen hele grote insecten rond. Er waren nog geen vogels of
zoogdieren. De moerasbossen uit het Carboon zijn in miljoenen jaren veranderd
in steenkool. Steenkool zit diep onder de grond. Het tijdperk voor het
Carboon heet Devoon, het tijdperk erna was het Perm. |
| cement |
Metselstof
die gebruikt wordt om huizen te bouwen. Het wordt gemaakt van een poeder
van zand, kalk en klei. Als je het cementpoeder met water mengt kun je
er stenen mee metselen of beton van maken. |
| cokes |
Het
restant dat overblijft na het verhitten van steenkool. Je spreekt het woord
uit als ‘kooks’. |
| conglomeraat |
Een
hard gesteente dat bestaat uit samengeplakte grind en kleine steentjes.
De deeltejs in dit sedimentgesteente zijn groter dan 2 mm |
| continent |
Werelddeel.
Elk werelddeel ligt op een aardplaat en kan hierdoor verschuiven. |
| continentale
drift |
Het
langzaam bewegen van de werelddelen ten opzichte van elkaar. Op sommige
plekken botsen de werelddelen tegenelkaar waardoor bergen ontstaan. Op
andere plekken schuiven ze onder elkaar. |
| D |
|
| dalen |
Omlaag
zakken |
| dampkring |
Atmosfeer,
gaslaag om de aardbol heen |
| dekzand |
Zand
dat door de wind is vervoerd wordt en een laag vormt. |
| delfstof |
Uit
de grond gegraven stof, bodemschat. Delfstoffen zijn bijvoorbeeld olie,
steenkool, zout en diamant. |
| delfstoffenkaart |
Kaart
waarop te zien is waar de verschillende delfstoffen in de grond zitten. |
| delta |
Riviermonding
in de vorm van een waaier. |
| Devoon |
Het
tijdperk 310 miljoen jaar geleden. |
| dinosaurus |
Reptiel
dat leefde in het Trias, Jura en het Krijt. |
| draineren |
Droogleggen
van land |
| drassig |
Moerassig,
modderig, nat grasland |
| drinkwater |
Gezuiverd
water dat je kunt drinken. |
| druipsteen |
Gesteente
dat bestaat uit kalk, door water toe te voegen wordt de kalk zacht en gaat
druipenHet wordt gevormd |
| drumlin |
Een
lange, eivormige heuvel ontstaan door een gletsjerdie het landschap afgesleten
heeft. |
| dwarsdoorsnede |
Doorsnede
door het kortste gedeelte |
| E |
|
| edelsteen |
Zeer
kostbaar gesteente, bijvoorbeeld diamant, robijn of granaat. Ze zijn ontstaan
uit vloeibaar gesteente dat bij het afkoelen kristallen heeft gevormd. |
| eindmorene |
Een
langwerpige hoop stenen aan de rand van een gletsjer. Het langzaam kruipende
ijs van de gletsjer heeft de stenen hier naar toe vervoerd. |
| epicentrum |
Het
punt op het aardoppervlak dat zich precies boven het middelpunt van een
aardbeving bevindt. |
| erosie |
Verwering
van gesteente. Er slijten langzaam korreltjes van het gesteente af, waardoor
het wordt afgebroken. Erosie kan plaatsvinden door wind, water, ijs en
zon. |
| erts |
Een
gesteente dat veel metaal bevat |
| estuarium |
Plek
waar de rivier in waaiervorm de zee in stroomt (riviermonding). |
| evolutie |
De
geleidelijke ontwikkeling van het leven op aarde |
| extinctie |
Uitsterven
van planten en dieren, meestal als gevolg van verandering in het klimaat. |
| F |
|
| fossiel |
Versteende
resten of afdrukken in gesteenten van planten of dieren. |
| fossiele
brandstoffen |
De
brandstoffen steenkool, aardolie en aardgas, die allemaal zijn ontstaan
uit de resten van organismen (planten en dieren) die lang geleden hebben
geleefd |
| G |
|
| gas |
Onzichtbare,
vluchtige stof. Gas wordt gewonnen op grote diepte. Aardgas is ontstaan
in het Krijt, maar op sommige plekken ook in het Perm. Gas kan worden gebruikt
voor verwarming, om te koken en voor verlichting.Ook nu ontstaat er nog
gas wanneer resten van planten en dieren verrotten. Dit heet biogas. |
| gasveld |
Plaats
waar veel aardgas in de bodem zit. Het plaatsje Slochteren heeft het grootste
gasveld van Nederland. |
| geiser |
Een
bron die af en toe een fontein van heet water spuit. |
| geografie |
Aardrijkskunde
= leer over de aardbol, de verschillende landen en werelddelen, klimaat.
Grondsoorten etc. |
| geologie |
Aardkunde,
leer over het ontstaan van de aardkorst, en de verschillende aardlagen. |
| geologische
tijdschaal |
De
tijdschaal die gemaakt is door te kijken naar de verschillende aardlagen.
Elke aardlaag is gevormd in een bepaalde periode. Wanneer de ene aardlaag
eindigt en een volgende begint, eindigt een geologische periode. |
| gesteente |
Onderdeel
van de aardkorst, zand, grind, lava en klei gevormd tot een harde klomp |
| glaciaal |
Betreffende
de ijstijd, poolstreken, gletsjers |
| glas |
Doorzichtige
stof, gemaakt van zand (silicum), ongebluste kalk en soda. |
| gletsjer |
Van
een berghelling afschuivende rivier van ijs. Een gletsjer verplaatst zich
heel langzaam naar beneden en schuurt daarbij een diep, U-vormig dal uit. |
| graniet |
Gestippeld
stollingsgesteente dat zeer hard is. Het is gevormd uit gesmolten aardmantel.
Het bevat veel kwarts en veltspaat, en je ziet dan ook allerlei kleine
kristalletjes van deze stoffen in het graniet zitten. |
| grind |
Steengruis,
kleine steentjes die 2 mm of meer in doorsnede zijn |
| grindbank |
Laag
grind, vaak gevormd door een rivier. |
| grond |
Aarde,
land, bodem |
| grondboor |
Werktuig
om een stukje uit de bodem (een bodemmonster) weg te halen om dit boven
de grond te kunnen bekijken. |
| grondboring |
Onderzoek
naar de samenstelling van de aardlagen. Hierbij wordt een grondboor gebruikt. |
| grondsoort |
Zand,
grind, klei, löss, veen, rots. |
| grondwater |
Water
dat diep in de bodem zit opgeslagen. Het duurt vaak duizenden jaren voordat
het water heel diep zit. Grondwater wordt vaak uit de grond omhoog gepompt
om te gebruiken als drinkwater of voor het besproeien van landbouwgewassen. |
| grondwaterpeil |
Stand
van het grondwater, op hoeveel meter in de grond begint het grondwater |
| grot |
Een
holle ruimte in een rots ontstaan door regenwater dat rotsspleten heeft
uitgeslepen. Door dit wegslijten van de rots ontstaat een steeds bredere
spleet of ruimte. Zakt de waterspiegel dan stroomt het water uit de spleet
weg en blijft een grot over. |
| H |
|
| haaietand |
Tand
van een haai. In Nederland kun je fossiele haaietanden uit het Tertiair
vinden aan het strand bij Cadzand en Nieuwvliet. |
| halfrond |
Halve
wereldbol. De evenaar is de scheidslijn tussen Noordelijk en Zuidelijk
halfrond. Wij wonen op het Noordelijk halfrond. Australië ligt op
het zuidelijk halfrond. |
| hars |
De
plakkerige vloeistof die vooral uit dennebomen stroomt en kan veranderen
in barnsteen |
| heimachine |
Toestel
om palen mee de grond in te slaan. |
| heipaal |
Paal
die in de grond geslagen wordt om bijvoorbeeld een gebouw op te zetten.
Dit gebeurt om te voorkomen dat het gebouw wegzinkt in slappe grond. |
| historie |
Geschiedenis. |
| Holoceen |
Het
tweede deel van het jongste geologische tijdperk, het Kwartair. Het Holoceen
begon 10.000 jaar geleden na de laatste ijstijd. De tijd waarin wij leven
hoort ook bij het Holoceen. |
| hoogveen |
Grond
die is ontstaan uit halfvergane plantenresten. Hoogveen ligt boven de waterspiegel. |
| horst |
Een
verhoging in de bodem, ontstaan doordat de bodem omhoog geduwd is. |
| hot
spot |
Een
plaats op het aardoppervlak waaronder de vloeibare mantel omhoog komt.
Bijvoorbeeld Ijsland en Hawaï. |
| humus |
De
bovenste laag van de aarde. Humus is erg vruchtbaar en omdat het veel verteerde
plantenresten bevat. Het lijkt een beetje op potgrond. |
| hunebed |
Prehistorische
begraafplaats die bestaat uit opgestapelde zwerfkeien. |
| hydrosfeer |
De
waterlaag op aarde |
| I |
|
| ichthyosaurier |
Een
vleesetend reptiel, dat een beetje leek op een dolfijn |
| ijserosie |
Het
wegslijten van gesteente doordat er ijs overheen schuurt |
| ijskap |
Dik
pak ijs dat op de noord- en zuidpool ligt |
| ijstijd |
Aanhoudende
periode waarin het klimaat op aarde kouder wordt en pak- en gletsjerijs
zich uitbreiden. De oorzaak van een ijstijd is waarschijnlijk dat de aarde
in een iets grotere baan om de zon draait. In het Pleistoceen waren verschillende
ijstijden. |
| ijzererts |
IJzerhoudende
delfstof waaruit het ijzer gesmolten wordt |
| ijzertijd |
De
tijd die begon toen ijzer algemeen gebruikt werd in plaats van brons. Dat
gebeurde ongeveer 600 v. Chr. en duurde tot 50 n. Chr. |
| inklinken |
Dalen
van de bodem door droogte |
| inkolen |
De
vorming van steenkool uit plantenresten. Hoge druk en temperatuur zijn
nodig voor het inkolingsproces. Inkolen duurt miljoenen jaren. |
| inkoling |
Verlies
van water en gassen uit een laag dode planten. De laag wordt hierdoor in
elkaar gedrukt en na lange tijd ontstaat er steenkool. |
| indicator |
Plant
of dier die door zijn aanwezigheid de soort leefomgeving aangeeft. Een
plant kan bijvoorbeeld iets zeggen over de bodem, over vervuiling of klimaat. |
| indicatorsoort |
Plant-
of diersoort die door zijn aanwezigheid aangeeft wat voor soort leefomgeving
er is. Een plant kan bijvoorbeeld iets zeggen over de bodem, over vervuiling
of klimaat. |
| inpolderen |
Stuk
land door dijken omgeven en droogmaken. |
| interglaciaal |
De
tijd tussen twee ijstijden |
| J |
|
| Jura |
Het
tijdperk 160 miljoen jaar geleden. Ervoor was het Trias, erna kwam het
Krijt. |
| K |
|
| kalk |
Witte
stof, die onder andere gebruikt wordt bij metselwerk en bij het maken van
glas. |
| kalksteen |
Witte
steensoort die veel kalk bevat. Die kalk halen ze eruit om bijvoorbeeld
cement te maken. |
| karst |
Gebied
met onderaardse meren en rivieren, druipsteengrotten enz. |
| kei |
Grote
steen |
| kern |
Het
binnenste van onze planeet. Het bestaat uit twee delen; de binnenkern en
de buitenkern. De binnenkern is een vaste klomp, de buitenkern is gesmolten
en draait langzaam rond de binnekern. De kern bestaat voor het grootste
gedeelte uit ijzer, nikkel en andere mineralen.De elektrische stromen in
de kern wekken het aardmagnetisch veld op. |
| kleileem |
Grondsoort
met deeltjes die tussen klei en leem in zitten, met afmetingenen tussen
de 0.002 mm en 0.02 mm. |
| kiezel |
Rond
steentje, stukje grind |
| kiezelsteen |
Rond
steentje, stukje grind |
| klei |
Grondsoort
met deeltjes die kleiner zijn dan 0.002 mm in doorsnede. Dat is zo klein
dat je de deeltjes niet kunt zien. |
| klimaat |
Het
weer en de lucht gedurende een heel jaar over een groot gebied |
| kom |
Diepte
of laagte in de bodem in de vorm van een kom |
| korst |
De
buitenste laag van de aarde. De aardkorst is onder de zeebodem zo'n 10
km dik, en onder land wel 40 km. |
| kristal |
Doorschijnende
edelsteen die fijn geslepen is. |
| Krijt |
Het
tijdperk van de dinosauriërs, 140 miljoen jaar geleden. In die tijd
was Nederland half land en half zee. Er was dus veel strand en duinen,
en de rivieren vormden een delta. In het Krijt was het klimaat tropisch.
Het tijdperk erna was het Tertiair, het tijdperk ervoor het Jura. |
| Kwartair |
Het
jongste geologische tijdperk. Het Kwartair begon 2,5 miljoen jaar geleden.
Het is verdeeld in twee delen, het Pleistoceen (2.500.000 tot 10.000 jaar
geleden) en het Holoceen (10.000 jaar geleden tot nu). |
| kwarts |
Een
belangrijk mineraal in graniet. Kwarts is vaak doorzichtig maar lijkt soms
ook een beetje melkachtig B160blauw. |
| kwel |
Water
dat uit de grond naar boven komt. |
| kwelder |
|
| L |
|
| laagveen |
Veen
ontstaan onder water. |
| lagune |
Meer
van zeewater op het strand, bij vloed verbonden met de zee. |
| landijs |
IJs
waaronder land zit, bijvoorbeeld bovenop een berg of bij de Zuidpool. Onder
het ijs van de Noordpool zit geen land. |
| lava |
Vloeibaar
gesteente dat uit een vulkaan komt en daarna stolt. |
| leem |
Grondsoort
met deeltjes met een afmeting tussen de 0,002 mm en de 0,050 mm. Als ze
groter zijn dan is het zand, als ze kleiner zijn dan is het klei. |
| leisteen |
Grondsoort
met deeltjes met een afmeting tussen de 0,002 mm en de 0,050 mm. Als ze
groter zijn dan is het zand, als ze kleiner zijn dan is het klei. |
| lithosfeer |
De
aardkorst en het bovenste gedeelte van de aardmantel |
| löss |
Een
kleilaag die ontstaan is doordat de wind de kleideeltjes heeft afgezet.
In Limburg komt veel löss voor. |
| M |
|
| maan |
Hemellichaam
dat om de aarde cirkelt. |
| magma |
Vloeibaar
gesteente dat onder een vulkaan zit. Magma ontstaat ongeveer 100 km onder
de grond. Het stijgt omhoog en blijft in een ruimte in het vaste gesteente
zitten. Daar stolt het langzaam. Als de vulkaan uitbarst, knalt het magma
naar buiten. Zodra het naar buiten komt heet het lava. |
| magnetometer |
Een
instrument dat het magnetisch veld van de aarde meet. Het wordt gebruikt
bij de opsporing van ondergrondse oude vuurplaatsen en metale voorwerpen. |
| mammoet |
Uitgestorven
olifantensoort die leefde in het Pleistoceen. De mammoet kon wel 4,5 m.
hoog worden en had lang haar |
| mantel |
Dikke
lagen van gesteente die onder de aardkorst zitten. Onder de mantel zit
de aardkern. |
| marmer |
Zeer
harde geaderde steensoort die in veel verschillende kleuren voorkomt. Het
wordt vaak gebruikt voor tegels of beelden. |
| mastodont |
Een
uitgestorven slurfdier |
| melkweg |
Lichtende
sterrengordel waarvan de zon en ons planetenstelsel onderdeel zijn. |
| mergel |
Zacht,
poreus gesteente, een mengsel van klei en kalk. In Zuid-Limburg zit veel
mergel in de grond. Het werd gebruikt om huizen te bouwen. De grotten in
de Sint Pietersberg zijn achtergebleven graaftunnels |
| Mesolithicum |
Middelste
periode van de steentijd |
| metamorf
gesteente |
Gesteente
dat is veranderd door hoge druk en hoge temperatuur, bijvoorbeeld leisteen.
Metamorf gesteente is altijd ontstaan uit bestaand gesteente. |
| meteoriet |
Steen
uit het helal die op de aarde is gevallen. Een meteoriet is afkomstig van
een hemellichaam. |
| mineralen |
Gesteenten
die uit de bodem worden gehaald bijvoorbeeld steenkool, ijzererts, diamant |
| modder |
Aarde
die door het mengen met water week en vies is geworden. |
| moedergesteente |
Zand,
leem, klei of gesteente. De onderste laag van een bodem. |
| moedermateriaal |
Zand,
leem, klei of gesteente. De onderste laag van een bodem. |
| moeras |
Drassig
land bedekt met planten |
| mol |
Insektenetend
graafdier |
| morene |
Een
langwerpige hoop stenen aan de rand van een gletsjer. Het ijs kruiende
ijs van de gletsjer heeft de stenen hier heel langzaam naar toe vervoerd. |
| Mosasaurus |
Een
dier dat leefde in het Krijt. Het lijkt het meest op een hagedis of een
slang van 10 meter lang. Hij verplaatst zich tussen de wieren door zijn
staart door het water te slaan. |
| N |
|
| NAM |
Nederlandse
Aardolie Maatschappij BV |
| Neolithicum |
Jongste
periode van de steentijd |
| Noordpool |
Het
gebied ten noorden van de poolcirkel. Het bestaat uit de Noordelijke IJszee
en de daaraan grenzende delen van Europa, Azië en Noord-Amerika, en
is grotendeels bedekt met ijs. De Noordpool heet ook wel Arctica. |
| O |
|
| obsidiaan |
Een
donker, glasachtig vulkanisch gesteente van hard geworden lava. |
| oceaan |
Grote
zee tussen de werelddelen. |
| oceaanstroming |
Stroming
in de oceaan die altijd dezelfde kant op gaat. |
| olie |
Brandstof
die gevormd is in de loop van miljoenen jaren. De aardlaag waarin olie
wordt gevonden is vaak gevormd in het Krijt of het Perm. Het is ontstaan
uit planktondiertjes die naar de zeebodem zakten en daar niet goed verteerden.
Uit de slik die zo gevormd werd, ontstond onder hoge druk en temperatuur
olie. |
| olieboring |
Boring
in de grond om olie te winnen. |
| olieveld |
De
plaats waar veel olie in de bodem zit. In Nederland zijn kleine olievelden
bij Schoonebeek en in het Westland. |
| ongebluste
kalk |
Kalk
waar nog geen water aan toegevoegd is. |
| optilling |
Plek
in de aardkorst die omhoog gaat ten opzichte van het zeeniveau. |
| P |
|
| Paleolithicum |
Oudste
periode van de steentijd |
| paleontologie |
Studie
van fossiele planten en dieren |
| Pangaea |
Het
werelddeel dat miljoenen jaren geleden bestond. Toen Pangaea in stukken
brak, zijn daar langzaam de werelddelen van nu uit gevormd. Ooit zaten
ze dus allemaal aan elkaar vast. |
| pekel |
Water
met zout erin opgelost. |
| pekelkreeftje |
Soort
garnaal die in heel zout water kan leven. |
| Perm |
Het
tijdperk Perm was 200 miljoen jaar geleden. Nederland was bedekt met een
hele zoute zee, de Zechsteinzee. Het klimaat was een stuk warmer, net als
in de woestijn. Het water van de zee verdampte en een zoutlaag bleef over.
Het zout dat in Nederland uit de grond gehaald wordt, is ontstaan in het
Perm. Na het Perm kwam het Trias, ervoor was het Carboon. |
| pier |
Aardworm |
| pingo |
Soort
meertje ontstaan nadat een groot blok ijs smolt. |
| pissebed |
Grijsbruin
schaaldiertje, vaak onder bloempotten, stenen enz. wordt ook wel keldermot
genoemd |
| plaat |
Stuk
van de aardkorst die als het ware op de mantel drijft. De aardplaten schuiven
ten op zichte van elkaar. Op sommige plekken schuiven de platen onder elkaar.
Op andere plekken botsen de platen tegen elkaar en ontstaat er een gebergte.
Het bewegen van de aardplaten heet plaattektoniek. |
| plaattectoniek |
Beweging
van de aardplaten ten opzichte van elkaar |
| plankton |
Hele
kleine plantjes en diertjes die leven aan de oppervlakte van de zee. Plankton
is de voedselbron waar bijna al het leven in zee van afhankelijk is. |
| Pleistoceen |
Het
eerste deel van het jongste geologische tijdperk, het Kwartair, Het Pleistoceen
is de ijstijd. Het begon 2,5 miljoen jaar geleden, en duurde tot 10.000
jaar geleden toen het klimaat weer wat warmer werd. In het Pleistoceen
was Nederland soms gedeeltelijk bedekt met gletsjerijs. Op andere momenten
lag het ijs noordelijker, maar was het in Nederland nog steeds erg koud.
De Noordzeekust lag een stuk verder weg, richting Groot-Brittannië.
Er leefden al mensen, en ook mammoeten, sabeltandtijgers en holenberen. |
| plooi |
Vouw
in de aardkorst |
| polder |
Laaggelegen
land met dijken er omheen, waarin de waterstand geregeld wordt door er
water in of uit te pompen. |
| pool |
Noordelijk
of zuidelijk uiteinde van de aardas |
| poolkap |
Laag
ijs op de pool |
| prehistorie |
Voorhistorische
tijd, voor de uitvinding van het schrift |
| puimsteen |
Poreus
gesteente met veel gaatjes ontstaan uit afgekoelde lava |
| Q |
|
| quarts |
Kwarts |
| R |
|
| regenworm |
|
| reliëf |
Ondergrond
met verhogingen en verlagingen |
| rif |
Rots,
klip |
| riool |
Ondergrondse
afvoerbuis voor afvalwater |
| rioolbuis |
Riool |
| riolering |
Ondergronds
buizenstelsel voor de afvoer van afvalwater |
| rug |
Gebergte |
| S |
|
| saalien |
De
eerste ijstijd waarbij het ijs Nederland bereikte |
| Sandr
vlakte |
Een
lichte helling die ontstaan is door gletsjers in de ijstijd. Aan de rand
van de gletsjer smelt het ijs, en met het smeltwater mee spoelen zand en
kleine steentjes het land op. Deze vormen de Sandr vlakte. |
| schaal
van Richter |
Een
meetmethode om aan te geven hoe zwaar een aardbeving is |
| schalie |
Lei,
sedimentgesteente met korrels kleiner dan 0,06 mm |
| schol |
Onderdeel
van de aardkorst dat zich zonder te breken kan verplaatsen. Hierdoor is
het duidelijk dat de werelddelen zich ten opzichte van elkaar verplaatsen. |
| sediment |
Neerslag,
nieuw gesteente gevormd aan het aardoppervlak |
| sedimentgesteente |
Gesteente
dat ontstaat uit de restanten van andere gesteenten, planten of dieren.
Sedimentgesteente is altijd gelaagd. Je kunt aan de lagen zien hoe het
gesteente is gevormd. Vaak zitten er fossielen in de lagen. |
| seismograaf |
Toestel
dat de hevigheid van trillingen van aardbevingen weergeeft op papier |
| seismische
golven |
Ondergrondse
trillingen die ontstaan bij een aardbeving en zich langzaam verplaatsen
door het gesteente, boven de grond is er dan een aardbeving. |
| Siluur |
Het
tijdperk 350 miljoen jaar geleden. Er zijn in Nederland geen delfstoffen
te vinden uit dit tijdperk. |
| slenk |
Een
verlaging in de bodem, ontstaan doordat de bodem verzakt is. Onder de oceaan
kunnen ook slenken zitten, op de plek waar twee schollen uit elkaar gedreven
zijn. |
| slib |
Achtergebleven
slijk, modder |
| slik |
Aangeslibte,
nog vochtige grond |
| soda |
Natriumcarbonaat,
een soort zout |
| speleologie |
Grotonderzoek |
| stalagmiet |
Druipsteen
in een grot die vanaf de bodem omhoog groeit. Hij ontstaat doordat in druppend
water kalkdeeltjeszitten die zich opstapelen op een zelfde plek. |
| stalactiet |
Druipsteen
in een grot die aan het plafond hangt. Hij ontstaat doordat druppend water
kalkdeeltjes afzet, telkens op dezelfde plek. |
| steenkool |
Een
delfstof ontstaan doordat fossiele bossen en moerassen bedekt raakten met
een laag zand. Nadat het water en het gas eruit waren gedrukt (inkoling)
ontstond er na lange tijd steenkool. |
| steentijd |
De
tijd die in ons land duurde van 14.000 tot 2100 voor Chr. De mens gebruikte
toen alleen maar stenen en benen werktuigen. De steentijd heette ook wel
Paleolithicum. |
| steenzout |
In
de bodem aanwezig keukenzout. |
| steppe |
Droge
grasvlakte |
| stollingsgesteente |
Gesteente
ontstaan uit vloeibaar gesteente dat langzaam afkoelt. Bij het ontstaan
van de aarde werd veel stollingsgesteente gevormd. Maar ook nu ontstaat
het nog wanneer het magma uit een vulkaan barst en de vloeibare lava langzaam
stolt. Voorbeelden van stollingsgesteenten zijn graniet en basalt. |
| stollingsgesteenten |
Gesteenten
die ontstaan uit vloeibaar gesteente dat langzaam afkoelt. Bij het ontstaan
van de aarde werden veel stollingsgesteenten gevormd. Maar ook nu ontstaan
ze nog wanneer een vulkaan uitbarst en de lava langzaam stolt. Voorbeelden
van stollingsgesteenten zijn graniet en basalt. |
| stromatoliet |
De
oudste fossiele levensvorm. Het zijn fossiele algen die 3,6 miljard jaar
geleden leefden. Stromatolieten zijn in Australië gevonden. |
| stuifzand |
Zeer
fijn zand dat meegevoerd wordt door de wind. |
| stuwwal |
Een
langwerpige heuvel die ontstaan is door gletsjers in de ijstijd. Het ijs
duwde puin en stenen voor zich uit. Toen de ijskap weer kleiner werd, bleef
de stuwwal over. In Nederland liggen stuwwallen in zuid-Friesland, Drenthe,
Utrecht (de Hondsrug) en bij Arnhem en Nijmegen. |
| subductie |
Het
onder elkaar schuiven van aardplaten. |
| subductiezone |
De
plek waar een aardplaat onder een andere schuift. |
| Suphu |
Eigenaar
en piloot van de aardexpres. |
| T |
|
| tectoniek |
Het
verschuiven van de aardlagen. |
| tectonische
activiteit |
Het
verschuiven van de aardlagen. |
| terp |
Verhoging
in het landschap waarop mensen vroeger hun huizen bouwden. Door op een
terp te wonen waren ze beschermd tegen hoog water. |
| Tertiair |
Het
tijdperk dat 60 miljoen jaar geleden begon, en duurde tot 2,5 miljoen jaar
geleden. Nederland was half land en half zee. Het klimaat was tropisch,
en op land waren moerassige bossen. Er leefden reuzenhaaien in zee, waarvan
je nu nog steeds haaietanden kunt vinden bij het Zwin in Zeeland. Na het
Tertiair kwam het Kwartair, ervoor kwam het Krijt. |
| toendra |
Mos-
en grasvlakte in koud gebied |
| tras |
Tot
poeder gemalen tufsteen |
| Trias |
De
tijdsperiode 175 miljoen jaar geleden. Nederland was een grote woestijn
met duinen. Er zijn kalksteen, zandsteen en zout gevormd in deze periode.
Die zitten nu heel diep onder de grond. Na het Trias kwam het Jura, ervoor
kwam het Perm. |
| trilobiet |
Dier
dat miljoenen jaren geleden leefde en er een beetje uitzag als een grote
pissebed. Trilobieten leefden in water. De enige diersoort die nu nog leeft
en verwant is aan de trilobieten is de degenkrab. |
| trog |
Een
erg diepe, nauwe spleet in de oceaanbodem. |
| troposfeer |
Dampkringlaag
tot ongeveer 11 km boven de aarde |
| tufsteen |
Gesteente
dat gevormd is bij een vulkaanuitbarsting. In de afkoelende lava zaten
heel veel belletjes. Toen het hard werd, ontstond tufsteen. Tufsteen heeft
veel gaatjes en lijkt op een stenen spons. |
| turf |
Uitgestoken
en gedroogd veen dat als brandstof wordt gebruikt. |
| U |
|
| uitspoelen |
Deeltjes
die van de toplaag van bodem met het water meegevoerd worden naar dieper
gelegen lagen. |
| uitsterven |
Ophouden
te bestaan |
| V |
|
| veen |
Een
dikke laag plantenresten die ontstaat in een moeras. De resten verteren
niet goed, en doordat het water eruit lekt ontstaat langzaam veen. |
| veengrond |
Grond
van veen |
| vegetatie |
Plantengroei |
| veldspaat |
Eén
van de meest voorkomende mineralen in de aardkorst. Alle stollingsgesteenten
bevatten voor een deel veldspaat. De hoeveelheid veldspaat bepaalt wat
voor soort stollingsgesteente het is. Veltspaat kan veel verschillende
kleuren hebben, bijvoorbeeld wit, roze of zwart. |
| verdamping |
Het
verdwijnen van water door het langzaam te verwarmen. Het water gaat over
van vloeibaar naar gasvormig water. |
| Verwering |
Erosie,
vergaan, verbrokkelen door weersomstandigheden |
| Verzilting |
Langzaam
vol zout komen te zitten |
| Vulkaan |
Een
berg die ligt op de plek waar aardplaten tegen elkaar botsen. Op deze plek
kan het hete magma naar het aardoppervlakte stromen. Als dat gebeurt, barst
de vulkaan uit en komt lava naar buiten |
| Vuursteen |
Steen
waarmee je vonken kan slaan. |
| W |
|
| wad |
Klei-
of zandbank aan de kust |
| waddenzee |
Kustgebied
ten noorden van Nederland met veel klei- en zandbanken |
| wadi |
Plek
waar regenwater gemakkelijk in de grond kan zakken |
| watererosie |
Verwering
doordat er water over de rotsen stroomt |
| waterspiegel |
Wateroppervlak
boven of onder de grond |
| weichselien |
De
laatste ijstijd waarbij de ijskap Nederland bereikte |
| werelddeel |
Eén
van de zeven grote vastelanden, continent. Europa, Afrika, Azië, Australië,
Noord-Amerika, Zuid-Amerika en Antarctica zijn werelddelen. |
| winderosie |
Verwering
doordat de wind deeltjes van gesteente afslijt |
| woestijn |
Dorre,
droge vlakte, vaak met veel zand. |
| Z |
|
| zand |
Steenpoeder
met deeltjes van 0,05 tot 2 mm groot |
| zandsteen |
Sedimentgesteente
met korrels van 0,06 tot 2 mm. |
| Zechstein
zee |
De
zee die ons land bedekte in de tijd van het Perm. De zee was erg zout,
zo zout dat het uiteindelijk pekel werd en nog later vast zout. Er leefden
op het laatst alleen nog maar pekelkreeftjes. |
| zonnestelsel |
Zon
met daarom wentelende planeten met hun manen. |
| zout |
Natriumchloride |
| zoutwinning |
Het
verkrijgen van zout door het uit de grond te halen of door zeewater te
verdampen |
| zwerfkei |
Grote
rots die in de ijstijd door de gletsjers naar ons land vervoerd is. Toen
het ijs verdween, is de kei blijven liggen. |
| Zuidpool |
Het
gebied ten zuiden van de zuidpoolcirkel, zuidelijk uiteinde van de aardas,
Antarctica. |